Achter de lijn

Piraeus 17

 

De rood-wit gestreepte plastic lijn scheidt Theo en mij in de emergency room af van de vluchtelingen in de terminal E2 in de haven van Piraeus. Talloze keren is de lijn gescheurd, en ook weer vastgeknoopt. Kinderen duwen er tegenaan, spelen ermee. Soms passeren ze de lijn, maar dat is niet de bedoeling. In het begin was ik er zelf niet zo strikt in. Een meisje dat me niet duidelijk kon maken wat ze nodig had, nodigde ik uit het gewenste product te komen aanwijzen. Maar zodra je één kind achter de lijn toelaat, willen ze het allemaal. En dan wordt het een chaos. Dus til ik de kinderen nu voor de lijn op, zodat ze op de tekening van de beschikbare producten in de emergency room kunnen aanwijzen wat ze nodig hebben. We verstrekken hier babymelk (alleen gesteriliseerd, en steriliseren kost veel tijd!), wc-papier, luiers, maandverband, natte tissues, keukenrol, plastic bekers, zonnebrandcrème en voeding voor diabetici.

Een vrouw heeft zelf geen flesje voor babymelk. Gelukkig staat er nog eentje om weg te geven. Ik steriliseer hem voor haar. Ze moet even wachten. Ondertussen moet ik voor iemand anders de keuken in, de grote ruimte achter de emergency room, en het duurt langer dan ik had gewild. Als ik terugkom is het flesje gesteriliseerd, maar de moeder staat niet meer te wachten. Ze komt die avond en nacht niet meer terug. Was het dan toch niet zo dringend? Of heeft ze me niet goed begrepen en denkt ze dat ik haar niet wilde helpen? Ik voel me er ongemakkelijk over.

Een meisje van een jaar of acht overschrijdt de lijn telkens weer. Ze weet niet duidelijk te maken wat ze wil hebben. Ik heb haar eerder deze week al eens meegemaakt. Ze vroeg toen veel aandacht, en liep hinderlijk achter me aan, zeurend om cadeautjes. Andere vrijwilligers hebben me al voor haar gewaarschuwd: ‘Voor dat meisje moet je uitkijken, ze is niet te vertrouwen!’ Terwijl ik haar voor de derde keer vraag om uit de emergency room te gaan, zie ik haar opeens een mobiele telefoon van de tafel grissen. Van wie is die telefoon? Ik had hem daar nog niet eerder zien liggen. Is het haar eigen telefoon of gaat ze er nu vandoor met de telefoon van een vrijwilliger? Ik grijp onmiddellijk in en pak de telefoon van haar af. Ze is buiten zichzelf van wanhoop, is ontroostbaar. Theo vermoedt, gezien de heftigheid van haar emoties, dat het de telefoon van haar moeder zal zijn. Maar misschien speelt ze haar rol goed. Ik vertrouw het pas als de moeder erbij is geroepen en de juiste code weet in te voeren van de telefoon.

Piraeus 18

De ‘Sun cream!’ is erg populair, niet alleen overdag. De kinderen zijn er dol op. En tegen het slapen gaan komt iedereen erom vragen. Omdat zonnebrandcrème nog moeilijk te verkrijgen blijkt te zijn, zo vroeg in het seizoen, en ook behoorlijk duur is, heb ik een paar flessen bodylotion aangeschaft voor ’s avonds. Maar nee, die willen ze niet. Het moet écht sun cream zijn. ‘But there is no sun!’ is mijn antwoord, terwijl ik naar de donkere hemel buiten wijs. Misschien ruikt de bodylotion niet lekker genoeg? Eerder die week, nog voor ik deze had aangeschaft, was er ’s avonds nog slechts een halve tube zonnebrandcrème over. Voor 1100 vluchtelingen in E2. Een vrouw kwam met een klein flesje aanzetten en gebaarde me dat ze daar zonnebrandcrème in  wilde hebben. Ik bood haar een klein beetje aan in een cupcake vormpje. Had ik dit beetje in haar flesje gedaan, dan had ze het er niet eens uit kunnen krijgen. Ze bleef echter vragen om meer, vol onbegrip over mijn zuinigheid.

Piraeus 16

De plastic bekers zijn bijna op. Op de tekening staan ze doorgestreept. We stellen er veel mensen mee teleur. Eigenlijk zouden ze hun bekers moeten bewaren. Er wordt veel te veel afval geproduceerd in dit kamp. Een man komt om een beker heet water vragen. Het hete water is in principe alleen alleen voor de baby’s bestemd. Maar hij heeft een zere keel en vertelt ons dat hij van de dokter heet water moet drinken. Ik weet niet of ik hem moet geloven maar geef het hem. Dan staan er opeens vijf mannen voor de lijn, met het verzoek om een beker heet water. Waarschijnlijk hebben ze erg veel trek in een kop thee. ‘Sorry, no cups today, and no hot water. Only for baby’s.’ Iemand uit de groep probeert het nog: ‘It is for the baby!’ Ik geloof hem niet. Ondertussen gaan twee vluchtelingentolken een kop thee drinken achter de lijn. Ze hebben zo hun privileges, achter de lijn.

Op momenten dat ik geen dienst heb in de emergency room en me tussen de vluchtelingen begeef, kan ik het met iedereen goed vinden. Ik praat, dans en eet met ze, en leef met ze mee. We gaan gelijkwaardig met elkaar om en worden vrienden op Facebook. Maar zodra ik achter de lijn sta, lijkt er opeens een afstand te zijn. Hoewel ik meestal vriendelijk blijf, beslis ik wel wie er al dan niet iets krijgt. Achter de lijn lijk ik boven de vluchtelingen te staan. Ik stel mensen teleur, sommigen worden boos. Toch weet ik niet hoe het anders kan.

De nacht is aangebroken. Om half twaalf demp ik de lichten. Maar het wordt niet stil. Groepen mannen blijven luid praten en zetten muziek op. Er wordt zelfs gerookt. Ik maan de mannen om stil te zijn en de sigaretten te doven. Wat geeft mij de positie om te bepalen hoe zij zich moeten gedragen? Pas tegen een uur of twee komt er een beetje rust in de terminal. Maar om half vier uur gaan de schoonmakers alweer aan het werk. Tussen de slapende mensen door lopen ze de hal te dweilen. Ze praten en lachen. Hun telefoons geven ondertussen luid berichten door op allerlei toontjes. Mag ik ze vragen wat zachter te doen? Ik weet het niet. Doe het wel.

Een groepje jongemannen komt de terminal binnen. Ze hebben honger en vragen om eten. Daar is de emergency room niet voor. Ze zullen moeten wachten tot het ontbijt van elf uur. Even later komen een Syrische vrouw, haar jong volwassen dochter en de vriend van het meisje de hal binnen. Ze hebben een reis van tien uur achter de rug vanuit het afschuwelijke kamp Idomeni, bij de grens met Macedonië. Ze vragen om dekens en ze hebben honger. Ik loop naar de keuken om broodjes, feta en sinaasappels voor ze te halen.

Intuïtief besluit ik telkens welke verzoeken ik al dan niet inwillig. Iets in mij wil iedereen graag tevreden stellen. Maar ik draag zorg voor de hele groep en er is niet genoeg voor iedereen. Daarom is ook een weigering wel degelijk compassie. Maar zodra ik geïrriteerd raak, mensen veroordeel om hun ‘hebzucht’, is mijn compassie ver te zoeken. Hoe is het mogelijk dat ik dat laat gebeuren? Ik ben zó bevoorrecht ten opzichte van hen. Zodra ik terug ben in ons appartement kan ik een douche nemen, thee drinken zoveel ik maar wil, en relatief ongestoord slapen. In het restaurant kies ik mijn eigen maaltijd uit. Geen vanzelfsprekendheden voor deze mensen die al zo lang op de vlucht zijn.

Want zij staan aan de andere kant van de lijn. En ik kan dat niet veranderen.

 

Het hele verslag van mijn ervaringen met de vluchtelingen lezen? Klik dan hier.

Ontmoeting ‘Au coeur de l’instant’

jongetje

 

Zomaar een ontmoeting
met een jongetje van een jaar of vier.

Tijdens mijn hardlooprondje passeer ik spelende kinderen.
Zijn het er twee? Of misschien drie of vier?
Ik ben in gedachten verzonken en merk het niet op.

Niet zo ‘mindful’, zou Peter zeggen.
Niet erg ‘Au coeur de l’instant’ zoals mijn dharmanaam luidt.
De naam die mijn zenleraar mij heeft gegeven,
omdat dit is wie ik werkelijk ben:
Aanwezigheid in het hart van ieder moment.
En ook omdat het een uitnodiging is om dat telkens weer te belichamen,
om steeds weer terug te keren naar het hart van wat zich voordoet.

Ik hoor iemand iets roepen,
maar het gaat op in het kindergebeuren achter me.
Dan nog eens, nu indringender: ‘Meisje!’

Misschien omdat het zo’n indringende oproep is,
misschien ook omdat ik me eigenlijk nog altijd een beetje kind voel,
maar ook omdat het me verbaast om meisje genoemd te worden
door een kind wiens oma ik zou kunnen zijn,
en uit nieuwsgierigheid of hij het wel tegen mij heeft,
kijk ik achterom.

Onze blikken onmiddellijk in elkaar gevangen.
Een stralend jongetje van een jaar of vier.
Hij rent achter me aan.
Ik roep, blij verbaasd: “Ren je met me mee?”
“Nee, ik ren naar huis!”
En hij slaat af.

“Doeg!”

Mijn tocht gaat verder,
maar ik zal nooit meer dezelfde zijn.
Verrijkt door zomaar een ontmoeting met een kind.
Au coeur de l’instant.

 

 

 

Collecteren

Amnesty

 

Afgelopen week was het weer zover: de jaarlijkse Amnesty-collecte. Ik weet niet precies hoe lang ik dit werk al doe, maar op de een of andere manier ben ik eraan gehecht geraakt. Ik zie het als een oefening in geven en ontvangen. Ik open me om geld te ontvangen voor het goede doel dat me zo dierbaar is: Amnesty International. En ik ontvang ook de dankbaarheid van de coördinator, wanneer we na afloop de opbrengst tellen. Wat ik geef? Ik stel een paar uur van mijn tijd ter beschikking. Maar daarnaast geef ik de mensen bij wie ik aanbel mijn aandacht, een vriendelijke groet, een vrolijke lach, of dankbaarheid. Zelfs als ze geen geld in de collectebus stoppen. Tenminste, dat probeer ik.

Voorheen waren het twee collectebussen waarmee ik op stap ging. Ieder vrij momentje liep ik langs de deuren en de opbrengst was er dan ook naar. Ik kon de bussen na afloop haast niet meer tillen en was dan ook bijzonder blij als mensen een briefje uit hun portemonnee visten: goed voor de opbrengst en vrijwel gewichtloos. Toen de kinderen er de leeftijd voor hadden liepen ze trouw een keertje mee, wat de opbrengst nog verder verhoogde. Het was een mooie activiteit voor ze, en het heeft de armspieren ongetwijfeld gesterkt.

In die tijd viel de collecteweek in februari. Bijna altijd was het koud. Met soms een gure wind, waarbij ik de mensen aanraadde de deur vooral even te sluiten terwijl ze hun geld zochten. Een enkeling liet me even binnen opwarmen, dat waren vaak mensen die zelf ook collectant waren en wisten hoe verkleumd je kunt raken van het wachten in de kou. Ook liep ik wel in de regen, waarbij ik handen tekort kwam om de paraplu, collectebus en briefjes (voor in de brievenbus wanneer mensen niet opendeden) vast te houden. Gelukkig was ik altijd zo door mijnbriefjes heen, dat scheelde weer.

Dit jaar was het prima collecteweer. Fijn dat ze de week naar maart hebben kunnen verschuiven. De laatste jaren lukt het me niet meer om acht tot tien uur beschikbaar te maken voor het collecteren. Ik probeer rond etenstijd te lopen, dan doen er meer mensen open dan ’s middags of ’s avonds. Maar als ik dan eens pas laat in de middag thuiskom, of een paar avonden al vroeg van huis moet voor een bijeenkomst, ben ik al blij als ik in zo’n week drie keer een uurtje langs de deuren kan.

Vorig jaar liep er iemand anders in mijn eigen wijk. Prima om eens in een andere wijk te collecteren. Toch was ik blij om weer terug te zijn in ’t Lien, dit jaar. Al is het maar omdat het fijn is weer te weten wie er allemaal achter die deuren wonen. Een gesprekje hier en daar. Niet goed voor de opbrengst, maar wel voor het sociale contact. Een achterbuurman die een ongeluk had gehad en daardoor een zware winter had doorgemaakt. Zijn buurvrouw die deze zomer het huis in de verkoop ging zetten. Een nieuwe bewoner even verderop in de straat, die ik nog niet kende. Een verre bekende die dronken leek, waarbij ik me wat zorgen over zijn welzijn maakte. Een oud-klasgenootje van mijn zoon, en een vroegere vriendin van mijn dochter met wie ik een praatje maakte. Wat leuk om te zien hoezeer ze veranderd waren.

Ik weet nooit wat ik aan ga treffen. Iedere keer na het aanbellen is het een verrassing. Als ik de bel niet kan horen, is hij dan wel gegaan? Er was een straat waar de mensen achter elkaar niet opendeden, geen geld in huis hadden of niet mee wilden doen. Iemand vertelde me na een halve minuut rommelen bij de voordeur via de brievenbus dat ze de deur niet kon openen omdat ze geen sleutels in huis had. Dat soort dingen. En als er al iemand geld wilde betalen, was het misschien 15 cent, want meer kleingeld zat er toevallig niet in de portemonnee. Iedereen wenste ik vriendelijk “Fijne avond!”, of ze nu meededen of niet. Ze hadden tenslotte wel de moeite genomen om de deur voor me te openen (of een poging daartoe gedaan). En ik was blij met ieder geschonken bedrag, ook al was het weinig. Het kwam uit een goed hart en daar gaat het om. Daarna kwam er dan weer een aantal huizen waar opeens iedereen opendeed en met een gul gebaar zware munten in de collectebus deed. Amnesty heeft gelukkig bij vrijwel iedereen een goede naam.

Helaas, het zit er weer op. Bij de coördinator thuis hebben we zaterdag alle muntjes (en twee briefjes) uitgespreid over een theedoek en gesorteerd. De opbrengst was 152,91 euro. Toch weer mooi meegenomen. Amnesty kan er belangrijk werk mee doen.

Volgend jaar ben ik vast weer van de partij. Ik hoop dat we er nog wat collectanten bij krijgen in Leidschendam.

 

Tijd

klok

 

Zaterdagochtend. Een zee van tijd, die me desondanks lijkt te ontglippen. Zoveel dingen die ik zou willen doen. Eerst maar even snel een blik slaan op wat mijn facebook-vrienden hebben gedeeld. Ik zie een plaatje langskomen dat mooi is om op mijn zakelijke twitter-account te delen. Ondertussen leg ik de laatste hand aan de crowdfundingsactie via ‘Dream or donate’. Hiermee hoop ik geld bijeen te krijgen voor de vluchtelingen in Athene, waar ik in april een week als vrijwilliger naartoe ga. Ook nog een paar e-mails en een telefoontje over de luistercirkel van het Open Platform Vluchtelingenzorg, voor vrijwilligers die met vluchtelingen werken. Deze vindt volgende week zondag plaats in Friesland en vanuit de Zen Peacemakers zal ik deze samen met Annie faciliteren.

Ga ik nog mijn fitness-oefeningen doen vanochtend? Of mijn kamer opruimen? Oude poststapels wegwerken? Een blog schrijven voor de nieuwsbrief die binnenkort uitgaat vanuit Ouderbetrokkenheid-PLUS? Een vriendin bellen? Strijkwerk doen? De was opvouwen? De straatkrant lezen die ik gisteren heb gekocht? Of de boekhouding doen?

 De zon schijnt enigszins gedempt naar binnen, door de ramen die in geen eeuwen gelapt zijn. Het had nooit prioriteit. Tot nu toe. Opeens weet ik dat het nu precies het juiste moment is om naar buiten te gaan en de ramen te poetsen. Onder de bloempotten die hiertoe verzet moeten worden, krioelen vele wormen. Een voor een raap ik ze op en leg ze in de tuin, waar ze zich nuttig mogen maken. Dan kan het soppen beginnen. Wat een genot. Waarom heb ik dit niet eerder gedaan?
Maar is dat wel de goede vraag? Wat ik ook doe met de tijd die mij ter beschikking staat, als ik het met hart en ziel doe, zou het wel eens altijd precies de juiste keuze kunnen zijn. Die ramen nemen het me echt niet kwalijk dat ze zo lang hebben moeten wachten.

Zeeën van tijd, tijdens het ramen lappen. Ieder moment wordt een eeuwigheid. De buurvrouw komt een praatje maken. Ik bedenk me dat ik nog een kleinigheidje voor het buurmeisje heb, dat ik voor haar van zolder haal.

Kraakhelder schijnt de zon naar binnen door de gepoetste ramen. En ik spring op mijn fiets, op weg naar een wandelafspraak met een vriendin die ik al veel te lang niet gezien heb. We gaan elkaar weer spreken, met hart en ziel!

 

Alleen maar vertrouwen…

Alleen maar vertrouwen…

jukai P7b

 ‘Alleen maar vertrouwen….’ is de tekst die Frank De Waele heeft geschreven achterop mijn zen peacemaker ‘rakusu’, die ik op 16 oktober door hem kreeg omgehangen, na afloop van onze straatretraite in Keulen. Een prachtige tekst, ook zeer toepasselijk in het licht van de dagen die eraan vooraf waren gegaan.

We hadden net 4 dagen op straat geleefd. Ik had een kleine rugzak bij me, gevuld met een slaapzak, regenkleding en waterflesje. De leesbril mocht ook mee, om dagelijks de ‘gate of sweet nectar’ en de ‘metta chant’ te kunnen zingen. Maar mijn portemonnee, bankpas, telefoon en horloge gingen in de kluis.

De straatretraite had me tevoren erg beziggehouden: Zou ik het niet te koud krijgen? Hoe komen we aan karton om op te liggen? Zijn er wel droge slaapplekken? Zou ik kunnen slapen, buiten, op de harde koude grond? Word ik niet ziek? (er leek namelijk een oorontsteking op komst). Wat doe ik als ik niet vegetarisch kan eten? Zullen mijn lippen niet barsten? Ga ik niet vreselijk stinken en er met ongewassen haren belachelijk uitzien? Kan ik wel naar de wc als het nodig is?

Ik wist dat het maar gedachten waren, en probeerde me er niet door te laten leiden.
Eenmaal op straat viel alles van me af. Wat een vrijheid om zonder noemenswaardig bezit rond te lopen. Met elkaar vonden we telkens weer een geschikte slaapplaats. Om me warm te houden, hield ik alle kleren aan in mijn relatief dunne slaapzak. Met een trui, vest, jas, sjaal, wanten, muts, twee broeken, sokken en schoenen aan, was het net te doen. Later kregen we er als groep ook zes dekens bij, van mensen die we hadden geholpen met een verhuizing.

Het slapen op de grond was eigenlijk net als kamperen: een beetje afzien, maar het heeft wel wat. Toen iemand de tweede nacht de eerste spetters regen voelde vallen, werd meteen de hele groep gewekt en waren we al aan het schuilen voor de regen echt doorbrak. Het moeizaam bijeen gegaarde karton zetten we gewoon weer aan de straat, om de vrijheid te hebben de daarop volgende avond een nieuwe plek in een nieuwe buurt te vinden. Wat een bevrijding!

Mijn lippen waren nog niet eens pijnlijk toen iemand uit de groep bij een apotheek al een aloë vera crème had weten te bedelen. Ik mocht ervan gebruiken. Vegetarisch eten bleek geen probleem te zijn. ’s Avonds bij de soepbus nam ik geen soep, maar alleen een kale boterham, een koekje (of banaan) en een kopje thee. Verder bedelden we geld genoeg bij elkaar om zelf eten te kunnen kopen. Ook kregen we twee keer een goede warme middagmaaltijd (met vegetarische keuze) bij een daklozenproject dat we bezochten. Ik heb nooit honger gehad.
Omdat ik minder dronk dan thuis, hoefde ik niet zo vaak naar de wc. We ontdekten een supermarkt waar een klantentoilet was, waar ook niet-klanten gemakkelijk gebruik van konden maken. We zijn er nooit weggestuurd. Door de kou raakten we niet erg bezweet dus het stinken na vier dagen niet wassen viel best mee. Op de laatste dag hebben we, voor we terug naar huis gingen, lekker kunnen douchen bij een daklozenproject. Tot mijn verrassing was de dreigende oorontsteking verdwenen en voelde ik me na afloop gezonder dan toen ik aan de straatretraite begon.
Ik heb deze vier dagen niet echt kunnen ervaren hoe het is als dakloze. We hoorden dat zij wel worden weggestuurd bij een klantentoilet. Ze voelen zich met de nek aangekeken en hebben daardoor misschien ook minder succes bij het bedelen. Ook kunnen ze niet na vier dagen weer een bankpas uit de kluis halen.

jukai A6bWel heb ik deze dagen weer een beetje dieper kunnen ervaren wat vertrouwen doet. Het leidde ook tot een verschil in hoe ik bedelde, in het begin en aan het eind. Ik vond het van het begin af aan niet zo moeilijk om op mensen af te stappen en hun om geld te vragen. Met het kartonnen bekertje waarin ik de eerste avond thee had gekregen bij de soepbus, liep ik te bedelen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Het duurde ook nooit lang voor er geld in kwam. Maar toen ik de laatste dag het bekertje wegstopte, en minder in de doe-modus ging, vanuit het vertrouwen dat er wel iets moois op me af zou komen, ontstond er ook meer verbinding met de mensen die ik ontmoette.

Een bescheiden deel van het geld dat we na afloop als groep wilde schenken aan de stad, gaven we aan J., een dakloze jongeman die ons vanaf het begin met raad en daad had bijgestaan om ons te helpen in het bestaan als dakloze. Hij had ons de soepbus gewezen, had met ons meegedacht over veilige en droge slaapplekken, had ons een tas vol eten gegeven dat over was van een bedrijfsuitje en had ons gewaarschuwd toen we in de metro wilden gaan slapen voordat de schoonmakers langs waren geweest. Ik nodigde J. uit bij mijn ‘jukai ceremonie’ aan het eind van de retraite, waarbij ik de zen peacemaker geloften ontving en mijn met de hand genaaide ‘rakusu’ (het symbolische kleed van de boeddha, bestaande uit allemaal lapjes die ik van mijn dierbaren had gekregen) omgehangen kreeg. Het was nog wel even spannend of J. inderdaad zou komen, en ik was blij toen ik hem zag, mijn speciale gast. De ceremonie kwam bij hem binnen. Na afloop zetten we hem in het zonnetje. We gaven hem niet alleen wat geld. Ook gaven we hem een mala (we namen de kralenarmband allen in de handen, terwijl we hem onze wensen toe bliezen) en een sleutelhanger met een muddra van de boeddha, die te maken had met spreken vanuit het hart in plaats van het hoofd. J. toonde zich geroerd. Hij voelde dat hij op dat moment een kans kreeg om iets te doorbreken in zijn leven. Of hij ook daadwerkelijk kans gaat zien het bestaan van dakloze en alcoholicus vaarwel te zeggen weten we niet, maar het is niet onmogelijk.

jukai P25bMijn ‘jukai ceremonie’, die plaatsvond in de open lucht, bij de ruïne van de Romeinse toren waar we de eerste twee nachten hadden geslapen, was een aangrijpende gebeurtenis. Ik had voor het ontvangen van de geloften gekozen vanuit mijn intentie om mijn leven te wijden aan sociale actie, voorkomend uit een staat van niet-weten en het erkennen van wat is (in de zin van het getuige zijn van de vreugde en het leed in de wereld en er zelf mee samenvallen). Hoewel het ontvangen van de geloften wellicht niet veel zal veranderen voor wat betreft mijn dagelijkse realiteit, voelt het toch of er een levenslange wens in vervulling is gegaan. De tranen van dankbaarheid stroomden dan ook langs mijn wangen.

Terugkijkend, zie ik hoe ik de straatretraite ben ingegaan met de angst onder de arm. Ik liet de angsten er zijn, maar wilde me er niet door laten leiden. Geen van mijn zorgen was uitgekomen. In het moment zelf dienden zich altijd oplossingen aan. Ik hoef mijn leven niet in de hand te houden, dat kan ik niet eens. Iedere situatie brengt nieuwe uitdagingen, kansen en mogelijkheden. De tekst ‘Alleen maar vertrouwen…’ heb ik kunnen ervaren in het leven op straat. Ik hoop dan ook dat ik een beetje van dit vertrouwen met me mee zal dragen in al het mooie en intense peacemakerwerk dat er nog op me ligt te wachten.

Wandelaars

walkers-475702_1280

 

Afgelopen zondag ging ik hardlopen in de Horsten. Op deze zonovergoten dag was ik niet de enige die daar liep en tientallen keren moest ik twee of meer wandelaars passeren.

Vaak waarschuwde ik kort tevoren even met een ‘Ik haal u links in!’ zodat ze me konden horen aankomen, en zodat er geen botsingen zouden plaatsvinden. De een deed dan een stap opzij en groette me vriendelijk, de ander reageerde niet en bleef met haar aandacht bij het gesprek met haar wandelmaatje.

Ook was er iemand in een grote groep die na mijn aankondiging juist naar links uitweek, en zo precies mijn weg versperde. Op het laatste moment veranderde ik van koers zodat ik tussen hem en zijn buurman door kon rennen. Ondertussen hoorde ik deze groep Duits met elkaar praten. Ze hadden me wel horen waaschuwen, maar hadden mijn woorden niet verstaan!

Bij het stel dat ik daarna achterop kwam, dacht ik wel via de rechter berm in te kunnen halen en ik kondigde mezelf niet aan. De man verontschuldigde zich dat hij niet voor me aan de kant was gegaan, en ik riep hem terwijl ik omkeek lachend toe, dat ik beter even had kunnen waarschuwen.

Vervolgens passeerde ik een man en een vrouw die vrij ver uit elkaar liepen, de een links en de ander rechts op het pad. Ik kondigde aan dat ik midden tussendoor kwam lopen. Dat werd niet zo gewaardeerd. De vrouw beet me toe: ‘Ik schrik me dood, zeg!’ Had ik wat eerder moeten waarschuwen?

De volgende mensen die ik passeerde, maakten weer ruim baan voor me, en groetten me vrolijk.

Wat een grote variatie aan reacties op deze prachtige zonnige dag. Allemaal verschillende mensen, verschillende karakters, verschillende humeuren. En ik realiseerde me, dat het allemaal niets met mij te maken had.

Pikorde

kauwtjes

Het is een komen en gaan van vogels in onze achtertuin. Met broodkruimels en vogelzaad op de grond en een pinda-netje in de appelboom, is er dan ook heel wat te halen. En dan heb ik het nog niet eens over al het organisch materiaal dat in de tuin zelf te vinden is.

Ik geniet van alle levendigheid, en soms houdt het me ook van mijn werk. Niet alleen de meesjes hangen aan de pinda’s, ook de kauwtjes hebben het netje ontdekt. Terwijl de ene kauw allerlei capriolen uithaalt om maar op het netje te kunnen blijven zitten, heeft de ander, die eronder zit om de pinda’s op te eten die naar beneden vallen, het grootste maal.

De duiven doen zich tegoed aan het vogelzaad op de grond. We hebben denk ik twee huisduiven, maar vergeef me als ik niet zo goed kan onderscheiden of het dezelfde zijn die ik ooit als onze huisduiven beschouwde. De afgelopen jaren zagen we  in het voorjaar vaak twee duiven heel verliefd op de schutting zitten. En nu zie ik er ook steeds twee, die hun buik komen volvreten. Dat die ene nog niet geknapt is, verbaast me. Hij (ja, ik denk toch echt dat het een mannetje is; vergeef me, heren) blijft maar eten. De ander komt altijd op de tweede plaats. Ze zijn zo te zien niet echt verliefd meer, want de veelvraat is behoorlijk agressief tegen zijn voormalige partner. ‘IK EERST!’, lijkt hij haar toe te roepen.

Als er even geen duiven te zien zijn, komen de eksters. Die zijn ook met z’n tweetjes, maar verdragen elkaar beter. De merel is de volgende in de pikorde. Ik houd van merels. We hadden vroeger altijd een merelnest in de tuin en hoe vaak ben ik niet diep verdrietig geweest wanneer de jonge vogeltjes weer eens ten prooi waren gevallen aan een kat. Het merelgezang ging voor mij helemaal leven toen ik ‘Le merle noir’ leerde spelen op de dwarsfluit, een uiterst moeilijk stuk waarin Olivier Messiaen het merelgezang zeer waarheidsgetrouw nabootste.  Maar als ik dan nu zie hoe agressief onze tuinmerel zich gedraagt ten opzichte van de roodborstjes, mussen en vinkjes die langs komen, weet ik opeens niet meer hoever mijn liefde voor de merel reikt.

De musjes verdragen elkaar goed. Gezusterlijk zitten ze met elkaar te smikkelen. Speciaal voor hen strooi ik de kruimels uit de broodzak. Veel te klein voor de gulzige grote vogels. Jaren geleden was de mussenstand opeens bedreigd. Maar als we onze broodkruimels in de tuin zouden strooien, zou het aantal mussen weer kunnen toenemen. Volgens mij doet de mus het wel weer goed in Nederland.

Opeens meende ik ook twee verschillende soorten vogels ontdekt te hebben die elkaar verdroegen. Terwijl een musje op de grond hipte, zat een roodborstje daar vlakbij, op een plantenpot. Maar het elkaar verdragen duurde niet lang. Ik zag hoe de roodborst probeerde het musje te verjagen. Na de aanval zat het roodborstje weer op een muurtje en het musje at onverstoorbaar verder. Zou deze dan toch hoger in de pikorde staan?

Ik herken veel van wat ik bij de vogels zie gebeuren vanuit de mensenwereld. Ik wil graag geloven dat de mens van nature goed is. Dat ons handelen gebaseerd is op ons natuurlijke streven naar verbinding en zorgzaamheid, en dat egoïsme en hebberigheid een uiting zijn van een verstoring in ons, die met name gevoed wordt door angst. Maar als ik al die concurrentie zich zo voor mijn ogen zie afspelen, vraag ik me af of wij mensen elkaar wel wat zouden gunnen, als we niet geleerd zouden hebben rekening te houden met elkaar. In hoeverre is onze medemenselijkheid aangeleerd gedrag?